Als iets mij decennia lang heeft doen peinzen, dan is dat het fenomeen ‘automatische piloot’. Niet omdat ik deze bij mezelf niet kon herkennen – bijvoorbeeld tijdens het dwarsfluit studeren – maar omdat ik het fenomeen beter wilde begrijpen. En met name de volgende aspecten: wanneer is de automatische piloot welkom, wanneer is ie ongewenst en waarom?
Wikipedia: De automatische piloot is een mechanisme waarmee een voertuig bestuurd kan worden zonder hulp van een mens. Ook systemen die de stuurtaak van de mens vereenvoudigen, door logische stuurhandelingen van de bestuurder te vertalen naar complexe stuuracties van het voertuig, worden tot de automatische piloten gerekend.
Als we de ‘stuurtaak’ van de mens wat filosofischer beschouwen, hebben we het over onze eigen automatische piloot. Het idee is dat het grootste deel van onze handelingen zo is geautomatiseerd (auto = zelf), dat we daar geen aandacht aan hoeven te schenken. Daardoor komt er mentale ‘ruimte’ vrij om iets anders te doen.
Ik kan afwassen en ondertussen nadenken over wat ik ook alweer moet meenemen naar mijn werk. Ik ben in staat om te wandelen of te fietsen en ondertussen met iemand te kletsen. Taken kunnen combineren is het gevolg van langdurige neurale leerprocessen. Daar kwam ik achter toen ik mijn jonge neefjes af en toe naar school bracht. Hoe meer ze in de conversatie opgingen, hoe langzamer ze gingen lopen of zelfs stil bleven staan. De automatische piloot van hun wandelen was nog niet klaar.
Het fenomeen van mentale ruimte vrijmaken, berust op het principe van energieverdeling. Ons brein is de hele dag aan het werk en zorgt ervoor dat wij – zonder dat we ons daarvan bewust zijn – adequaat reageren op de wereld om ons heen. Dat gebeurt op een zo laag mogelijk energieniveau. Vervolgens zijn er drie redenen waarom ons brein extra inspanningen levert. 1) als we iets nog niet kunnen (dus tijdens een leerproces), 2) als we onszelf een extra taak geven (bijvoorbeeld een rekensom of kletsen tijdens het fietsen) of 3) als er iets onverwachts gebeurt (zoals een obstakel op het fietspad dat we moeten ontwijken). Dit kost meer energie en op zo’n moment wordt er extra bloed inclusief zuurstof en glucose naar zo’n breindeel gestuurd. Zuinig waar mogelijk, extra energie waar nodig.
Op enig moment realiseerde ik me hoezeer de automatische piloot een meervoudig flexibel systeem is. Als ik fiets (geautomatiseerde handelingen) en ondertussen klets (extra taak), houdt mijn brein met hulp van mijn zintuigen de omgeving in de gaten. Mijn spierbewegingen passen zich doorlopend aan – zonder dat ik het doorheb – aan de omgeving. Dan weer trap ik wat steviger, dan weer houd ik een beetje in. Fietsen, kletsen en reageren op een steeds veranderende wereld. Wat is de automatische piloot toch een geweldig systeem. Maar zoals ieder systeem kent ook dit z’n grenzen: als ik tijdens het fietsen ga telefoneren of appen, wordt mijn brein daar zo door in beslag genomen, dat het niet meer kan reageren op de omgeving. Levensgevaarlijk.
Als we kijken naar de toepassing van de automatische piloot tijdens het musiceren, blijkt er nog iets aan de hand te zijn. Spelen op de automatische piloot kan mentale ruimte vrijmaken, die ons musiceren ten goede zou moeten komen. In de praktijk blijkt echter dat we juist minder muzisch gaan spelen op de automatische piloot. Ons spel mist bezieling en flexibiliteit, wordt star en soms zelfs houterig. Op het podium kunnen we (negatieve) afleidende gedachten krijgen wat ons optreden er niet beter op maakt.
Wat is er aan de hand? Natuurlijk zijn fietsen en musiceren niet hetzelfde, maar wat maakt het dan zo anders? Ik nodig een ieder uit daar een tijdje over mee te peinzen.
© 2018, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
