In het brein, uit het brein

Nog niet zo heel lang geleden viel in mijn brein weer een metaforisch kwartje. Na jaren mijmeren en peinzen over musiceren, studeren en het brein, realiseerde ik me opeens dat wij musici vooral bezig zijn met van alles en nog wat in ons brein te stoppen en relatief weinig tijd en aandacht besteden aan het uit ons brein halen. Oftewel, aan de voorbereiding van het performen.

Ons gebruikelijke traject is: instuderen tot we iets beheersen 🡪 uitvoeren. Of: niet uitvoeren. Met dat laatste is natuurlijk helemaal niets mis. Musiceren is zo geweldig leuk, en geeft zoveel bevrediging aan de speler, dat we vaak net zo lief alleen voor onszelf spelen. In het Engels noemen ze dat: autotelic: het musiceren zelf geeft voldoende voldoening. Maar wanneer we wel iets uitvoeren, vergeten we vaak een groot deel van het werk: het voorbereiden van de focus die nodig is om een concert te geven. 

Dat zit zo: voor het instuderen van een werk zetten we het brein aan het leren. Er moeten nieuwe verbindingen aangemaakt worden in onze breinbagage (langetermijngeheugen) zodat we in staat zijn een werk naar wens te spelen. Het gaat dan om het bestuderen van de partituur, het interpreteren van de muziek en al het schoons uit ons instrument halen: techniek. Maar dit instuderen is nog maar de helft van het verhaal! De volgende stap is om de muziek die we hebben ingestudeerd, zo goed mogelijk uit ons brein te halen. We zetten andere breindelen aan het werk en daarvoor hebben we een ander type focus nodig. 

Laten we eens kijken hoe een acteur dat doet. Acteurs leren een tekst uit hun hoofd en verdiepen zich in het karakter dat ze gaan vertolken. Vervolgens trainen ze hoe ze dat karakter gaan uitbeelden, hun equivalent van onze techniek. Dit alles valt onder ‘in het brein’ stoppen. En dan start het ‘uit het brein’ halen. De acteur leert op het podium, al dan niet samen met een regisseur, hoe zijn spel het beste overkomt op publiek, hoe zijn stem zal dragen in de zaal en hoe en wat de interactie is met andere spelers. Voor dit proces nemen acteurs (en operazangers) ruim de tijd. 

Bij musici die graag performen zien en horen we vergelijkbare kwaliteiten: ze luisteren actief naar medespelers en reageren op elkaars spel. Ze zijn zich bewust van het publiek en zorgen ervoor dat hun klank alle hoeken en gaten van de zaal bereikt. Ze vertellen een verhaal, maken lange lijnen,  kennen de andere partijen en kunnen zich onderdompelen in het geheel der klanken, zonder hun (muzikale) rol uit het oog te verliezen. Hun focus is gericht op hoe hun spel, met al zijn expressie, bij het publiek over zal komen. 

Om met zo’n performersfocus te kunnen spelen, moeten we de focus die nodig was voor het instuderen loslaten, zodat er energie vrijkomt voor de nieuwe breintaken. Performersfocus kan, net als het repertoire, gestudeerd worden. Doen we dat niet, dan vallen we tijdens het spelen van een concert, bijvoorbeeld door zenuwen, terug op instudeerfocus: foutloos spelen, vingerzettingen, muzikale details. Daardoor bestaat de kans dat we de muzikale draad kwijtraken (‘opeens ging ik nadenken over de juiste noten en toen raakte ik er helemaal uit…’) en we juist minder goed gaan spelen. 

Performersfocus kunnen we voor een groot deel in onze studeerkamer voorbereiden. Bijvoorbeeld door te spelen voor een denkbeeldig publiek, te spelen zonder te stoppen en ons spel op te nemen op video. Ook het loslaten van de instudeerfocus kunnen we in onze studeerkamer uitproberen. Dat is nog niet zo makkelijk. Daarover in een andere column meer… 

© 2018, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut

Winkelwagen
Scroll naar boven

Ontdek meer van Wieke Karsten

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder