Tijdens mijn studie aan het conservatorium had ik weinig benul van wat ik aan het doen was. Ik vond studeren lastig, maar op de een of andere curieuze manier rolde ik redelijk soepeltjes door de opleiding heen. Tot de dag dat ik een overgangsexamen deed en slecht speelde. Ik reageerde niet op de pianist, speelde onzuiver, maakte fouten, het was niet muzisch, tja, gewoon, niet goed. Mijn docent was behoorlijk geschrokken. Naderhand bespraken we wat er gebeurd was, maar ik kon het niet goed verwoorden. Alleen dat ik knallende koppijn had gehad, vanwege het fietsen in de zon.
Deze gebeurtenis maakte veel indruk op me. Pas jaren later realiseerde ik me wat er aan de hand was. Omdat ik weinig studeerde, werden mijn vaardigheden niet voldoende geautomatiseerd. Ik kon veel, maar alleen als ik overal op bleef letten. Door me goed te focussen, kon ik heel veel ‘borden in de lucht houden’. Maar omdat ik hoofdpijn had, lukte dat niet. Alles viel op de grond.
De conclusie zou nu kunnen zijn dat ik wel goed had gespeeld als ik me beter had gevoeld. Maar daar ben ik het inmiddels niet meer mee eens. Immers: de focus die ik zocht, was nodig om instudeerprocessen op orde te houden. De juiste noten spelen, de muziek vormgeven, op de pianist letten et cetera. Als dat was gelukt, had ik vermoedelijk commentaar van de jury gekregen dat mijn spel ietwat schools was en te weinig vrij en expressief. Met andere woorden: spelen met de focus die nodig is om iets in te studeren, levert niet per se het beste concert op.
Om van instuderen naar een succesvolle performance te gaan, moeten we de instudeerfocus juist ‘loslaten’ en vervangen voor een ander type focus. Dat is voor het brein geen sinecure en daarom moeten we dit oefenen.
In mijn cursussen laat ik musici experimenteren met drie vormen van loslaten, waarbij 1 en 2 werken als test en 3 ook nog ideeën geeft voor het uiteindelijke performen:
1) Een nieuwe, extra (instudeer)taak toevoegen; bewust multi-tasken.
2) Onszelf afleiden op een niet muzische manier. Bijvoorbeeld door in ons hoofd te tellen van 300 naar beneden in stapjes van 2.
3) Een performancefocus kiezen, bijvoorbeeld een muzikaal verhaal vertellen aan een (denkbeeldig) publiek.
Afgezien van het feit dat een speler soms even moet wennen aan zo’n opdracht, kunnen er twee dingen gebeuren: de speler gaat minder goed spelen (het loslaten was nog niet mogelijk, zie mijn overgangstentamen) of de speler gaat juist veel beter spelen!
Dat laatste klinkt misschien vreemd maar is logisch. Als we ons bezighouden met vaardigheden die allang zijn geautomatiseerd – denk aan het voelen en volgen van vingerbewegingen tijdens het spelen of van beenbewegingen tijdens het fietsen – maakt dat het resultaat – een uitvoering of het fietsen – juist minder vloeiend en overtuigend. Het is of we iets willen controleren wat geen controle meer nodig heeft. Daarnaast is instudeerfocus vaak erg gedetailleerd en ‘lokaal’, terwijl voor het performen een ‘globale’ focus veel logischer is. Zoals we tijdens het fietsen ook beter op het verkeer kunnen letten dan op het vasthouden van ons stuur.
Het oefenen van loslaten is nuttig en nodig, maar ook ontzettend leuk. We kunnen talloze spelletjes verzinnen om het loslaten te trainen. Door los te laten kunnen we een onbekend en ongekend gevoel van vrijheid ervaren en versteld staan over ons eigen kunnen. En dat geeft nou precies die dosis zelfvertrouwen, die maakt dat we ons voldoende voorbereid voelen. Zodat we tijdens een concert niet bang hoeven te zijn om de controle te verliezen, maar deze juist vrijwillig los kunnen laten…
© 2018, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
