Musico ergo sum

Dat we onze hersenen gebruiken als we musiceren moge duidelijk zijn. Mochten we dat zelf niet zo ervaren dan worden we er in de media wel mee doodgegooid. ‘Muziek maakt slim’, ‘het Mozart effect’ en dat soort kreten. Volgens hersenwetenschappers ligt het allemaal wat ingewikkelder, maar dat terzijde. 

Toen ik muziek studeerde, miste ik een intellectuele uitdaging: ik wilde mijn hersenen juist meer gaan gebruiken. Dit was natuurlijk onzin, ik miste niet het gebruik van mijn hersenen, maar van bepaalde breindelen. Die ‘intellectuele’ delen bevinden zich in de cortex: bij onze slapen en in ons voorhoofd. Deze gebieden zijn bijzonder, omdat ze ons in staat stellen na te denken en ons ‘zijn’ onder woorden te brengen. Daardoor kunnen we ons eigen gedrag, dat van anderen en de wereld om ons heen op een rijtje zetten, daarop reflecteren en orde in de chaos aanbrengen. 

Van alle zoogdieren hebben wij in verhouding de grootste cortex. Men schat dat ons brein in de huidige vorm nog maar zo’n 300.000 jaar oud is en dat we de intellectuele breindelen pas echt benutten sinds de laatste ijstijd, ongeveer 10.000 jaar voor Christus. Sindsdien hebben we de wereld behoorlijk op z’n kop gezet, en de laatste 150 jaar doen we dat in een duizelingwekkende, angstaanjagende en hopelijk niet-desastreuze hogesnelheidstreinvaart…

Terug naar mijn studietijd. Natuurlijk werd ik wel aan het denken gezet. Op conservatoria worden studenten nog steeds bedolven onder theorievakken en aanverwante zaken, maar ik miste het zogenaamde hersenkraken van de middelbare school. Ik besloot toen een tweede studie te volgen. Ik koos, tamelijk intuïtief, voor de opleiding pianostemmen. Het bleek een gouden greep. Door een paar uur per week achter de piano te prutsen met wigjes en een stemhamer, ontwikkelde ik niet zozeer het pianostemmen – daar bleek mijn roeping niet te liggen – maar wel mijn gehoor. En doordat ik mijn gehoor ontwikkelde, kon ik veel meer nuances in mijn klank en in de muziek waarnemen, waardoor ik op een andere manier mijn studie beleefde en deze vele malen leuker ging vinden. Terugkijkend realiseer ik me dat ik geen intellectuele uitdaging had gemist, maar dat de intellectuele vragen die het conservatorium stelde, in onvruchtbare aarde vielen. We kunnen immers pas diepgaand over iets filosoferen als we datgene van binnenuit kennen en het als ervaring – tijdens het nadenken – kunnen oproepen. 

Dit oproepen is niet gebaseerd op een intellectuele activiteit, maar op een samenspel van zintuiglijke ervaringen. Hoe klinkt iets, hoe ziet het eruit, hoe beweegt het, hoe voelt het. Met andere woorden: we maken ergens een innerlijke, mentale voorstelling van. En om zo’n mentale voorstelling – representatie – te kunnen maken, moeten juist de zintuiglijke gebieden in onze hersenen bagage opbouwen, zoals mijn auditieve cortex zich ontwikkelde tijdens het pianostemmen. 

Het interessante is dat we in ons onderwijs vaak geen onderscheid maken tussen deze verschillende aspecten van leren: ervaren, opslaan, representeren en intellect. Terwijl het in onze hersenen om verschillende processen gaan, die elkaar versterken. Intellect geeft ons de mogelijkheid om nuances onder woorden te brengen, maar dan moeten we die nuances wel eerst beleven, vastleggen en weer kunnen oproepen. 

Mijn studie verliep daarna vlotjes en succesvol. Maar de vraag blijft: zijn we ons in het lesgeven bewust van de non-verbale leerprocessen die voorafgaan aan het intellect? Juichen we als een leerling een ritme kan nadoen en voelen, ook al begrijpt hij het nog niet? En als een leerling iets nog niet begrijpt, geven we hem dan de ervaringen die aan het begrijpen vooraf gaan? 

Gelukkig is samen musiceren de mooiste manier om een leerling van alles en nog wat te laten ervaren èn te doen begrijpen. We musiceren, dus we zijn. 

© 2017, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut

Winkelwagen
Scroll naar boven

Ontdek meer van Wieke Karsten

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder