In de vorige column schreef ik dat een aantal aspecten van een prestatie (meestal) niet worden meegewogen bij een beoordeling. Hard werken en zelf veel leren is ontzettend waardevol, maar vertaalt zich niet altijd in een cijfer. Dit kan frustrerend zijn, en mijn pleidooi is dan ook om deze ‘zelfwaarde’ waar mogelijk wél mee te nemen bij een beoordeling. Al was het maar omdat dit een leerling kan motiveren om er een volgende keer nog meer energie in te steken. Je ergens voor kunnen inzetten is immers ook een leerproces!
De zelfwaarde waarderen is een mooi voorbeeld van procesgericht denken: de ontwikkeling van een student wordt meegenomen in het meetproces. Maar bij bijvoorbeeld een sollicitatie voor een baan of een auditie voor een orkest wordt er meestal resultaatgericht beoordeeld. Wat moet een kandidaat al kunnen, al weten, al beheersen voordat hij of zij ergens aan mee kan doen? Zo’n beoordeling is gebaseerd op criteria, die zijn opgesteld door de beoordelaar. In theorie is een beoordeling op criteria helder en objectief, maar natuurlijk blijkt de praktijk weerbarstiger.
Iedereen begrijpt dat het voor kandidaten prettig is als criteria van tevoren duidelijk zijn, want anders kan een uitkomst het gevolg van willekeur lijken. Op het conservatorium waar ik werk, spreken we van assessment-criteria, die allemaal netjes op papier moeten staan. Ik vind dit een gezonde ontwikkeling en een volgende stap is dat we de leerling of student bij dit beoordelingsproces betrekken. Hierover een volgende keer meer…
Terug naar het beoordelen op grond van criteria. Hoe helder criteria ook mogen zijn, iemands spel levert altijd gesprekstof op bij de juryleden. Op het conservatorium verzuchten we wel eens: alleen bij een 10 en bij een duidelijke onvoldoende zijn alle juryleden het eens. Alle prestaties daartussen zijn een stuk lastiger om consensus in te bereiken. Uit onderzoek weten we dat een beoordeling bovendien nooit werkelijk objectief is. Het tijdstip op een dag (in de ochtend zijn jury’s strenger dan in de middag), hoe lang er beoordeeld is zonder pauzes, welk jurylid als eerste het woord krijgt en zelfs het nuttigen van koffie en koekjes: bijna alles beïnvloedt ons beoordelingsvermogen. Ook blijken – volstrekt onbewust – andere aspecten een rol te spelen dan alleen iemands spel. De manier waarop iemand loopt, zijn of haar instrument stemt, iemands uitstraling, de keuze van kleding en de keuze van een programma, alles speelt mee. Hetzelfde geldt voor huidskleur, gender en of we iemand kennen: we zijn in onze beoordeling een stuk minder objectief dan we misschien van onszelf denken…
Bovendien speelt er bij beoordelingen vaak nog iets anders: de kandidaat is zelden de enige. Bewust of onbewust vergelijken we kandidaten met elkaar. Dat noemen we: normatief. Soms maakt dit een beoordeling makkelijker, denk aan sport: moge de snelste winnen. Maar in de muziekwereld worden normatief beoordelen en beoordelen op criteria vaak door elkaar gehusseld. Stel dat twee kandidaten een prachtig niveau hebben voor een toelating tot de bachelor, maar een van de twee is beduidend jonger. Waarschijnlijk krijgt deze jongste deelnemer dan de voorkeur of een hoger cijfer. Waarom? Omdat deze ‘in vergelijking met de ander’ verder is. Dit klinkt logisch, maar als we niets weten over de ‘zelfwaarde’ van een kandidaat, is leeftijd niet per se een goed criterium. De leeftijd waarop iemand een bepaald niveau behaalt zegt immers niet zomaar iets over zijn of haar potentie of geschiedenis.
Oftewel: meten is lastig en beoordelen is nog vele malen lastiger. Maar begrijpen hoe we meten en begrijpen wat we meten, kan al iets meer helderheid geven in de vaak troebele wateren der beoordeling…
© 2022, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
