Het is een bekende stelling: wij, klassieke musici, moeten meer uit ons hoofd spelen want dat bevordert onze podiumpresentatie. En: door uit het hoofd te spelen wordt ons spel vrijer. Maar kloppen deze stellingen? En wat is ‘vrijer spelen’?
Om met dat laatste te beginnen: vanuit het brein gezien betekent vrijer spelen dat we de materie zo goed kennen en kunnen, dat er niet meer gezocht / nagedacht / geploeterd hoeft te worden om resultaat te leveren. Dat maakt dat we ‘kunnen loslaten’ en vertrouwen op onze bagage. In vorige columns noemde ik dat meesterschap.
Maakt uit het hoofd spelen vrijer? Dat is natuurlijk maar de vraag. Niet als we in ons brein moet zoeken naar de juiste noten. En als we onzeker zijn over het uit het hoofd spelen – bang dat we een black-out krijgen of de noten niet kunnen vinden – zal dat onze podiumpresentatie niet ten goede komen.
Instrumentalisten met veel motoriek (strijkers en pianisten) spelen veelvuldig uit hun hoofd. Dat zou suggereren dat zij vaker die gezochte vrijheid bereiken dan andere musici. Helaas pindakaas, ook dat is niet per se het geval. Want er speelt nog iets anders. Meesterschap betekent niet ‘we drukken op een knop en de muziek rolt eruit’, nee, meesterschap betekent dat de motoriek aangestuurd wordt vanuit een actieve focus: klankvoorstelling en expressie.
Voor het brein betekent dat een andere neurale route. Van bladmuziek via het motorisch geheugen naar podiumspel is als gaan van A naar B. Dat gaat lekker snel en het brein zal vertrouwen op de motorische automatische piloot. Van bladmuziek via aansturing verloopt ook van A naar B maar via een kronkelboswandeling waarbij de route nooit vast ligt.
Een motorische automatische piloot biedt geen muzikale vrijheid. De route ligt vast (procedureel geheugen) en we kunnen niet reageren op muzikale ideeën of op andere musici. Bovendien geeft het een mentale leegte die maar al te vaak wordt opgevuld met negatieve gedachten. De kronkelroute betekent dat we vanuit muzikale ideeën blijven spelen en dat geeft een flexibel resultaat. Het is alsof we ter plekke nog net even een ander weggetje inslaan. Maar om die route te weten en ons er vrij in te voelen, is het nodig dat we het hele bos kennen en kunnen: de harmonische ontwikkeling en vormstructuur, de melodie, de interpretatie, de emoties en karakters én de partijen van medemusici. Alleen dan zijn we in staat om ook op het podium het musiceren net even een andere wending te geven. Dat is muzikale vrijheid, dat is meesterschap.
Kunnen we die vrijheid ook bereiken als we van blad spelen? Natuurlijk! Ook met bladmuziek kunnen we het hele muzikale bos leren kennen en flexibel blijven. Aha. Dus de stellingen uit het begin kloppen niet? Ja en nee. Want spelen van blad kan wel degelijk beperkend werken. Podiumspanning roept de reflex op om ons te veel te concentreren en dat vertaalt zich in starende ogen. We plakken met onze ogen aan de lessenaar vast en in plaats van te musiceren vanuit klankvoorstelling en expressie schieten we in een oud spoor: bolletje (noot) – greep. En weg is de vrijheid.
Grappig genoeg is hier een eenvoudige oplossing voor: thuis trainen dat onze ogen niet gaan staren. Bijvoorbeeld door elke maat een keer weg te kijken; naar een denkbeeldig publiek of naar medemusici. Of door heel actief vooruit te lezen en onze ogen te blijven bewegen. Hierdoor trainen we het loskomen van de partituur waardoor we letterlijk om ons heen kunnen kijken en luisteren en genieten van de muzikale boswandeling. Wedden dat bovenstaande stellingen dan niet meer gebezigd worden?
© 2015, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
