Ik houd van concoursen. Ze bieden de speler een deadline om naar toe te werken en een gelegenheid om zich te presenteren aan een publiek en een vakjury. Voor veel leerlingen blijkt dat een enorme stimulans en een reden er flink voor te gaan. Er wordt tijd genomen om een repertoirestuk werkelijk uit te diepen en klaar te stomen tot het podiumrijp is. Het geeft de speler ook de mogelijkheid te luisteren naar andere deelnemers. Sommigen zullen verder zijn en anderen weer minder. Luisteren naar anderen geeft nieuwe ideeën en kan een speler uitdagen: ‘Ja, dat is te gek, dat wil ik ook!’ En dan zijn er natuurlijk ook nog prijzen die superleuk zijn om te winnen. Het juryrapport geeft stof tot nadenken en de uitdaging de volgende keer nóg beter te spelen…
Een concours confronteert de speler ook met een andere kant van musiceren: podiumspanning. Tja, dat hoort er bij; spelen voor een jury is nou eenmaal spannender dan het kopen van een pak melk. Als een deelnemer door zijn docent goed wordt begeleid en door zijn familie van harte wordt aangemoedigd, vormt een concours een mooie kennismaking met dit fenomeen.
En helaas, daar beginnen de mitsen en de maren. Mag de leerling meedoen om ervan te leren? Om zichzelf beter te leren kennen en te mogen proeven aan het performen voor publiek? Of ligt de kwestie toch ietwat anders? Over wiens ziel en zaligheid gaat het? Maar al te vaak niet van de speler maar van zijn ouders of docent.
Op zich logisch. Ouders willen graag aan de buitenwereld laten zien en horen hoe goed hun kroost presteert. Het is heel gezond om trots te zijn op de zoon of dochter: ‘Dat hebben we toch maar mooi met z’n allen bereikt, dat was het soms moeizame oefenen echt waard.’ Nog los van die honderden ritjes in de auto naar de muziekles en het jeugdorkest. Als het goed is, zijn ouders de grootste fans: ze vinden onvoorwaardelijk dat hun kind het allermooist van iedereen gespeeld heeft. Liefde maakt blind en doof en dat is helemaal prachtig.
Ongezond wordt het als de ouders veranderen van superfan in criticaster. Het komt voor dat een speler na afloop van zijn ouders te horen krijgt hoe het beter had gemoeten. Voor de speler is dit (al dan niet onbewust) een motie van wantrouwen; hij deed zijn stinkende best maar zijn inzet wordt blijkbaar niet gewaardeerd. Het kind voelt dat de liefde en steun van zijn ouders afhangt van zijn prestaties en krijgt daardoor wel een erg grote verantwoordelijkheid in de schoot geworpen…
Ook wij docenten mogen apetrots zijn op wat onze leerling voor elkaar krijgt. Al die jaren hebben we energie in het lesgeven gestopt en naar dit moment toegewerkt. Wat hebben we de leerling veel geleerd, wat een verschil met een paar jaar geleden! Geweldig om die vooruitgang te zien! We zijn niet alleen trots op onze leerling maar ook op onszelf. Het is fijn om docent te zijn.
De weegschaal slaat de verkeerde kant op als we de prestatie van de leerling ophangen aan de waardering van de buitenwereld voor ons docentschap. Als we denken dat anderen ons een betere docent vinden wanneer onze leerlingen goed presteren. En andersom: dat we niet serieus genomen worden als onze leerlingen minder goed spelen, wat daar ook maar de reden voor moge zijn. De leerling wordt ons uithangbord en krijgt daardoor wel een erg grote verantwoordelijkheid in de schoot geworpen…
Concoursen zijn alleen succesvolle ervaringen als de motivatie om mee te doen werkelijk bij de deelnemer zelf ligt. De speler legt zijn ziel en zaligheid open en bloot op het podium. Dat zou voldoende moeten zijn…
© 2015, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
