In Automatische Piloot nodigde ik de lezer uit om mee te denken over dit interessante fenomeen. Ik legde uit dat dit een meervoudig flexibel systeem is: mijn vingers typen (geautomatiseerd) terwijl ik nadenk over wat ik wil schrijven (extra taak) en ondertussen vangen mijn oren de berichten op die omgeroepen worden in de trein (letten op de omgeving).
Hoe handig het ook is tijdens ons dagelijks leven, wanneer we musiceren kunnen we er niet zoveel mee. Immers, juist als we op de automatische piloot spelen, spelen we minder muzisch en flexibel. Vaak weten we niet ‘waar we zijn’ en als er iets fout gaat, bijvoorbeeld als we uit ons hoofd spelen, moeten we helemaal opnieuw beginnen.
Het fenomeen van de niet-muzische automatische piloot kan optreden als we iets spelen wat we heel goed kunnen. Bijvoorbeeld toonladders. Die hebben we al zo vaak gespeeld en geoefend, dat we ze focusloos uit ons instrument kunnen rammelen (automatisme). Ondertussen denken we na over wat we vanavond zullen eten (extra taak) of kijken we uit het raam (letten op de omgeving). Het komt ook voor dat we een concert geven en ons bezighouden met die moeilijke passage die er aankomt (extra taak). Of met wat het publiek al dan niet van ons zal vinden (letten op de omgeving). Meestal geen prettige ervaring.
De automatische piloot van het dagelijks leven is dus niet per se geschikt voor het musiceren. Een geautomatiseerde vaardigheid is namelijk bedoeld als ‘gereedschap’: het fietsen uit de vorige column diende om mij van A naar B te brengen en het typen zet mijn gedachten op papier. Maar het vertolken van een prachtig stuk muziek is geen vervoermiddel of een handige vaardigheid, het is het doel op zich! We vragen ons publiek in feite om naar de fietstocht of het typen te komen kijken en luisteren…
Als we musiceren, hebben we geen behoefte aan de extra taak (kletsen, nadenken), behalve als dat zou zijn: mijn muziek overbrengen op het publiek. De omgeving in de gaten houden werkt al helemaal tegen ons, behalve als we dat veranderen in: communiceren met het publiek en reageren op onze medemusici. We willen dus mét focus blijven spelen, waarbij de focus die we nodig hadden voor het instuderen, zoetjes aan verandert in performersfocus.*
Is het dan mogelijk om een werk zo in te studeren, dat we wél kunnen rekenen op onze automatismen (spelen op ons instrument) zonder in de automatische piloot te schieten? Jazeker, dat kan, maar alleen als we ervoor zorgen dat ons spel het resultaat is van een ‘aansturende focus’.
Als we een stoel innerlijk voor ons zien, kunnen we deze tekenen. Onze armbewegingen worden aangestuurd door het beeld in ons hoofd. Hoe genuanceerder deze innerlijke voorstelling, hoe interessanter het resultaat. Een innerlijke voorstelling vormt de aansturende focus van iedere tekenaar. Voor muziek zou hetzelfde mogen gelden, namelijk dat musici spelen wat ze innerlijk horen. Maar dat is niet zomaar het geval. Want als wij spelen vanaf bladmuziek, kunnen we spelen zonder innerlijke klankvoorstelling, de beruchte ‘bolletje – greep’. Als we dat maar lang genoeg volhouden, kunnen we een stuk muziek puur op ons motorische geheugen spelen. Om dat te voorkomen, moeten we dus niet zozeer het spelen op ons instrument studeren, maar het ontwikkelen van de bijbehorende klankvoorstelling! En dat bij ieder stuk opnieuw.
Dit is dé grote uitdaging waar musici mee te maken hebben. Hoe pakt dat uit in de praktijk? Het antwoord is eigenlijk simpel en werd ooit prachtige verwoord door dirigent Jaap van Zweden**: in je hoofd altijd blijven meezingen.
Ik wens iedereen een muzisch leven toe: geen noot zonder klankvoorstelling.
*
Zie ook de column ‘In het brein, uit het brein’.
**
Nederlandse televisieprogramma (VPRO) Zomergasten 2009
© 2019, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
