Aan muziekdocenten wordt van alle kanten getrokken: leidinggevenden die roepen dat ‘we niet streng mogen zijn omdat we anders klanten wegjagen’ terwijl ze wel verlangen dat leerlingen de sterren van de hemel spelen. Beroepsopleidingen die klagen dat er geen Nederlandse leerlingen doorstromen naar conservatoria. Ouders en leerlingen die zeggen dat ‘het wel leuk moet blijven’ of die juist heel veeleisend zijn en de concertkleding bij wijze van spreken al gestreken hebben. Ondertussen wordt de ene na de ander muziekschool opgeheven en mogen docenten, als ze geluk hebben, blijven lesgeven maar verliezen ze hun opgebouwde rechten en verdiensten.
Dit getouwtrek is mogelijk omdat de status van ons werk onduidelijk is: muziek maken wordt in West Europa vooral gezien als ‘maar een hobby’. Daar zullen de meeste lezers het niet mee eens zijn. Los van het feit dat musiceren ons brein op een bijzonder manier bedraadt, laat het ons ervaren hoe het is om werkelijk verbonden te zijn met anderen. Het biedt ons innerlijke leven een breed scala aan emoties; negatief en positief, lelijk en mooi, gebaseerd op klank. Zonder levende muziek zou de wereld anders klinken.
Maar, laten we eens dieper ingaan op ‘het is maar een hobby’. Om te beginnen: de ene hobby is de andere niet. Voor sommige hobby’s is een docent of trainer vereist, en andere hobbyvaardigheden kan iemand in z’n eentje ontwikkelen. Voor sommige hobby’s heeft de docent of trainer een korte cursus moeten volgen en voor andere heeft de docent of trainer een beroepsopleiding achter de rug. In Europa is de muziekdocent over het algemeen hoog opgeleid en we houden dan ook niet van beunhazen, hoe goed deze soms ook mogen zijn.
Met de ene hobby kun je je levenslang ontwikkelen en andere hobby’s stoppen na een paar jaar. De meeste amateursporters zullen niet verwachten door te stromen naar de Nederlandse kampioenschappen. Maar een amateur die een instrument bespeelt, kan z’n hele leven doorgaan en zich ontwikkelen tot (semi)professioneel niveau. Vervolgens verschilt per hobby de leeftijd waarop deze wordt beoefend. Een sporttrainer heeft zich vaak gespecialiseerd in een bepaalde leeftijdsgroep. Maar muziekleerlingen kunnen op iedere denkbare leeftijd starten. Dat vraagt veel flexibiliteit en ervaring van een muziekdocent.
Ook het aantal deelnemers speelt een rol. Bij sommige hobby’s werkt het prima als een grote groep deelnemers aan de slag gaat onder leiding van een docent of trainer, maar bij instrumentaal onderwijs is dat niet zo gebruikelijk. Er bestaan wel groepslessen, maar de meeste docenten geven vooral individuele lessen of hoogstens aan duo’s of trio’s. Verhoudingsgewijs krijgen muziekleerlingen veel individuele aandacht.
Als we musiceren vergelijken met andere hobby’s, is deze heel kostbaar. Een muziekdocent heeft een beroepsopleiding achter de rug en de meeste leerlingen krijgen individueel les, beide prijsverhogende factoren. In de afgelopen decennia is van alles en nog wat geprobeerd om de lessen goedkoper te maken, bijvoorbeeld door groepslessen aan te bieden in plaats van individuele lessen. Helaas ontbrak het bij dat soort initiatieven vaak aan een goede visie en een trainingstraject voor docenten. De weerstand was daarom groot en veel docenten zijn uit eigen beweging ZZP-er geworden om maar niet te hoeven voldoen aan de non-artistieke wensen van leidinggevenden.
Wat nu? Moeten we accepteren dat leren musiceren nou eenmaal kostbaar is en accepteren dat, als de subsidies nog verder verdwijnen, muziekles alleen nog beschikbaar is voor mensen met een bovengemiddeld inkomen? Of kunnen we met een frisse en leergierige blik naar de bestaande situatie kijken en op zoek gaan naar artistiek verantwoorde alternatieven?
Belangrijke vragen, waar iedere cultuurinstelling en muziekdocent zich in zal moeten verdiepen…
© 2019, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
