
In de column De status van een hobby schetste ik de huidige situatie van ons bijzondere beroep. Muziek maken wordt gezien als ‘maar een hobby’, terwijl het ons inziens zoveel meer zou kunnen betekenen. Dat heeft gevolgen voor de waarde die men aan ons vak hecht. Op internet en daarbuiten worden nuttige discussies gevoerd over fair practice: hoe professionele musici naar waarde betaald moeten worden.
Het naar waarde betalen van een professioneel uitvoerend musicus staat voor mij buiten kijf. We zijn vaak op jonge leeftijd begonnen, hebben duizenden uren arbeid achter de rug en fiks geïnvesteerd in ons spel en niveau. Zo’n investering mogen we vergelijken met een bezoek aan de tandarts: dat is kostbaar omdat we meebetalen aan diens opleiding en dure apparatuur. Waardevol.
De vraag is echter of deze argumentatie ook geldt voor ons vak als instrumentaal / vocaal muziekdocent. Ondanks onze jarenlange conservatoriumopleidingen, zijn we over het algemeen niet of nauwelijks opgeleid om les te geven. In tegendeel; de hoofdvaklessen die we op conservatoria hebben ontvangen, zijn zo anders en hebben zulke andere leerdoelen, dat ze ons bijkans ongeschikt maken voor het lesgeven in de hobbypraktijk. Ons eigen traject – van beginner tot de toelating aan het conservatorium – zijn we vaak vergeten en tijdens onze studie kwamen we niet of nauwelijks in aanraking met rolmodellen uit de ‘gewone’ muziekpraktijk.
Toen ik na mijn studie ging lesgeven, kon ik er geen snars van. Ik gaf les zoals ik zelf de laatste vijf jaren had les gehad en mijn visie op lesgeven bestond, ondanks de educatieve vakken die ik had gevolgd, uit ‘het maken van een gezond geluid’. Natuurlijk heb ik mezelf aardig ontwikkeld in de jaren die volgden. Maar dat is mijn eigen zoektocht geweest. Het traject van afgestudeerde tot vakbekwame docent* is een route zonder landkaart.
Een tijdje terug had ik hierover een interessant gesprek met mijn kapper. Waar zij werkt, krijgen alle kappers maandelijkse bijscholing waardoor ze op de hoogte blijven van de nieuwste technieken en veranderingen in haarmode. Verse leerlingen van de kappersschool mogen bij hen nog geen klanten knippen; ze krijgen een jarenlang begeleidingstraject tot ze de kapper zijn die de zaak voor ogen heeft. Natuurlijk is deze kapperszaak iets duurder dan andere, maar dat hebben klanten er graag voor over.
Als we het hebben over de waarde van muziekles, hebben we het vaak over de muziekdocent. Maar die bestaat niet. Er zijn wel: ervaren en onervaren, interessante en oninteressante, bevlogen en niet-meer-bevlogen docenten, met meer of minder vakkennis en meer of minder didactische en pedagogische kwaliteiten. Ik ken veel geweldige docenten in de wereld buiten het conservatorium. Dat zijn ze niet zomaar geworden. Allemaal hebben ze hun eigen individuele route afgelegd. Ze hebben cursussen gevolgd, intervisiegroepen opgericht, artikelen en (schaarse) boeken gelezen en soms zelfs een jarenlange opleiding gevolgd. Geweldig. Als ik mijn kinderen naar muziekles zou sturen, zou ik op zoek gaan naar zo’n docent. Maar ja, waar en hoe vind ik die?
Ik zou een ieder willen aanmoedigen om de kwaliteiten die een muziekdocent zou kunnen ontwikkelen in kaart te brengen. Het liefst in gesprek met collega’s. En vervolgens zou ik iedereen willen uitnodigen om naar zijn of haar eigen kunnen te kijken. Waar sta je? Waar wil je over twee jaar zijn? Wat wil je over twee jaar kunnen? Met tot slot de vraag: hoe communiceren wij dit naar de buitenwereld, naar onze (potentiële) klanten?
Zo’n reflectieve houding geeft ons munitie in die ingewikkelde discussie over de waarde van muziekles. Aan kwaliteit hangt, net als bij een kapper, een prijskaartje. En dat snapt iedereen.
* De term vakbekwaam komt uit het Primair Onderwijs (van startbekwaam naar basisbekwaam tot vakbekwaam).
© 2019, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut