Als muziekdocenten zijn wij vaak getuige van een magische metamorfose: een leerling die van kind in jonge adolescent verandert. Alles lijkt wel anders te worden: de beenderenstructuur van zijn of haar gezicht, een lichaam dat zoetjesaan volwassen wordt en er ontstaan gesprekken en reflecties die een jaar geleden volstrekt onmogelijk waren.
De puberteit – de fysieke ontwikkeling – kent heel wat ongemakkelijkheden. Fluitmeisjes die hun buikspieren niet kunnen gebruiken vanwege menstruatieklachten, slungelige jongens wier handen wel niets met de rest van hun lichaam te maken lijken te hebben en jongedames die hun ontluikende vrouwelijkheid het liefst verbergen onder een gebogen rug.
Een nieuwe identiteit ontstaat. Van spontaan kan een jonge adolescent meer verlegen worden; wil het liefst onzichtbaar zijn, laat staan op een podium verschijnen. Een ander blijkt opeens veel ‘vregger’ te zijn dan ooit verwacht; wordt van stil kind de clown van de klas. Wat er ook gebeurt, wij staan erbij en kijken ernaar…
Onze leerlingen wisselen ergens in deze periode van basisschool naar voortgezet onderwijs met alle veranderingen van dien. Naast veel huiswerk dan ook nog oefenen voor de viool- of pianoles, dat is best lastig. Dit levert een kwetsbare situatie op: zullen onze leerling blijven spelen of stoppen ze ermee? Muziek maken kán een stabiele factor in hun leven zijn, maar ook nét eventjes teveel. Onze leerlingen zullen alleen blijven spelen als hun motivatie diep van binnen zit en dus ‘intrinsiek’ is. Dat begrijpen we allemaal, maar wat kunnen we daarmee als docenten?
Naar intrinsieke motivatie is al veel onderzoek gedaan. Een belangrijke bron van inzicht is de ‘zelfbeschikkings-theorie’ van onderzoekers Edward Deci en Richard Ryan uit 1985. Zij ontdekten dat er alleen sprake kan zijn van intrinsieke motivatie als aan drie psychologische basisbehoeften wordt voldaan: verbondenheid, autonomie en competentie. In het geval van muziek maken betekent dit bijvoorbeeld dat leerlingen door het musiceren een hechte band met anderen krijgen, dat hun eigen muziekvoorkeuren en manier van leren gewaarborgd is en dat ze het gevoel hebben dat het musiceren binnen hun bereik ligt.
De theorie van Deci en Ryan laat heel mooi de overgang zien van jong kind naar adolescent. De motivatie om te musiceren is bij kinderen meestal extrinsiek: ze spelen omdat hun ouders het vragen en voor die aardige docent. Op enig moment moet er een omslag komen van extrinsiek naar intrinsiek. Juist die eerste puberjaren zijn een soort ‘overgangstijd’. Hier gaat een leerling ontdekken wat muziek in zijn of haar leven kan betekenen. Maar dat wil niet direct zeggen dat hij of zij ook uit zichzelf gaat oefenen. Dat gaat pas gebeuren als de intrinsieke motivatie ‘klaar’ is. Deci en Ryan geven wel een mooi begrip voor deze overgangstijd: autonome extrinsieke motivatie. Hier komt een vierde aspect om de hoek kijken: nut.
Als een leerling oefenen niet per se leuk vindt, maar wel beetje bij beetje het nut ervan gaat inzien, kan hij zelf – autonoom – de keuze maken om het toch te gaan doen. Daarvoor heeft hij een zekere volwassenheid in denken nodig. Tot die tijd is het normaal dat ouders en docenten een extra zetje geven, en/of dat wij – docent en ouders – tijdelijk genoegen nemen met het ‘overleven’ van deze overgangsperiode.
Wat helpt hierbij? Dat de leerling muziek gaat spelen die nét wat makkelijk is, maar wel heel erg mooi. Dat de leerling naar steeds meer geweldige muziek gaat luisteren, mede door ons aangereikt. Dat hij samen gaat spelen met andere fanatieke soortgenoten, bijvoorbeeld in een jeugdorkest. Dat de leerling gaat ontdekken dat muziek wel degelijk een kant van zijn persoonlijkheid belicht die hem of haar maakt tot wie hij of zij is.
Wij staan erbij, kijken ernaar, slaken regelmatig een zucht en genieten mateloos…
Kijk bijvoorbeeld naar: https://www.youtube.com/watch?v=kvykdmBLVDk
© 2020, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
