Toen ik als klein meisje op muziekles wilde, moest ik eerst langskomen om een poging op de dwarsfluit te wagen. Zou ik er geluid uit krijgen, dan mocht ik komen. Klonk en leek het nergens naar, dan zou me dringend worden aangeraden een ander instrument te kiezen.
Was het nodig, die toelatingstest? Is het zo moeilijk om een instrument te leren spelen? Is een schijnbare aanleg voor leerling en docent een vereiste om aan de slag te gaan? In de jaren die volgden, realiseerde ik me dat wij docenten op twee manieren naar een startende leerling kunnen kijken.
De eerste zienswijze is: ‘de leerling kan nog niets’.
Wij zijn ons terdege bewust van alles wat de leerling nog niet kan en wat een lange weg hij nog te gaan heeft. De vingers op de juiste plaats krijgen is een ingewikkelde exercitie, de eerste tonen klinken als het tegenzit als een kapotte stofzuiger, noten lezen en tellen kan de leerling ook nog niet, laat staan muziek maken. Het spelen van een echt mooi liedje zal nog een hele tijd op zich laten wachten. Leerling en docent moeten eerst door de zure appel heen bijten; pas later wordt het voor beide partijen interessant. Gelukkig bestaan er boeken met audio bestanden, dan klinkt het tenminste nog ergens naar. De eerste maanden is het vooral een kwestie van investeren, ook al waarderen we de moeite die de leerling in het geploeter stopt. Eigenlijk is het een wonder dat de leerling doorzet en überhaupt wil blijven spelen!
We kunnen ook met een andere blik naar de leerling kijken: ‘de leerling kan al heel veel’.
De leerling heeft al veel bagage; hij kan spreken, zingen, dansen, toneelspelen, tekenen, is creatief en hij heeft ritme en puls in zijn lijf. Een instrument bespelen wordt daar aan toegevoegd. Bij alles wat we de leerling leren, sluiten we aan bij zijn bagage. Leert hij een nieuw ritme? Dan doen we dat ook met bodypercussie. Leert de leerling nieuwe noten? Dan mag hij zelf liedjes verzinnen met deze noten en een grafische partituur tekenen. Leert de leerling effectief te staan en zijn instrument goed vast te houden? Dan doen we een klein toneelstukje over de luie en de actieve muzikant. Staat de leerling te gespannen? Dan fluiten we een gesprekje tussen een slechte en goede burgemeester. Kan de leerling nog geen mooie toon produceren? Dan maken we een compositie over de wind in de bomen. Speelt hij alleen mooi als het supereenvoudig is? Dan combineren we dat met voor- en naspelen en maken we de opdrachten steeds langer. Spannend zo’n ontdekkingsreis, voor de leerling en voor de docent!
In vroeger tijden werd het doorzettingsvermogen van de leerling bepaald door de ouders. ‘We betalen goudgeld voor deze lessen, je hebt een kostbaar instrument gekregen, je blijft hoe dan ook twee jaar op les en daarna zien we wel weer verder. Einde discussie.’
De wereld verandert, maar een belangrijke reden waarom leerlingen doorgaan is inspiratie. We laten de leerling aan den lijve ervaren hoe bijzonder het is om te musiceren. Want musiceren kan op elk niveau, vanuit ieders bagage. Met en zonder instrument, met of zonder mooie toon. Dat bereiken we niet door slechts traditioneel door de lesstof te gaan; wat we nodig hebben is een frisse, inventieve en creatieve aanpak van de docent. En wat we nooit uit het oog en het oor mogen verliezen: wij, muziekdocenten, zijn een rolmodel. Door in de les prachtig voor te spelen en de liefde voor muziek uit te dragen, zijn we het meest inspirerende voorbeeld voor de leerling om door te zetten.
© 2010, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
