Toen ik een jaar of dertien was, vroeg mijn toenmalige docent of ik Syrinx voor fluit solo van Claude Debussy op een voorspeelavond wilde spelen. Hij zag de bui waarschijnlijk al hangen, want hij vroeg het eerst aan mijn moeder. Een solostuk? In mijn eentje? Het idee alleen al! Ik weigerde pertinent en op geen enkele manier was ik er toe te bewegen toch te spelen. Waarom eigenlijk niet? Ik speelde immers al vaker voor publiek en vond het ook leuk om in de schijnwerpers te staan. Dus daar lag het niet aan. Het was voor mij het gevoel van: alleen. In mijn spreekwoordelijke blootje.
Welkom in de puberteit. En daarna: welkom in de volwassen wereld. In ‘Van jong tot oud’ sprak ik over hoe anders we de wereld om ons heen ervaren naarmate we ouder worden. Spelen voor publiek is een goed voorbeeld van een situatie waarop het ouder worden invloed heeft. Over het algemeen vindt een jong kind voorspelen leuk. Waarom? Omdat voorspelen gewoon leuk is: je kunt laten horen waar je mee bezig bent, er zitten lieve mensen in de zaal die alles wat je doet fantastisch vinden, opa en oma komen, er is limonade en cake en je trekt je mooie nieuwe kleren aan…
Hoe kleiner iemands wereld, hoe minder gecompliceerd. Ach, er gaat wel eens wat mis, maar de cake smaakt er niet minder om. Toen ik weigerde om Syrinx te spelen was mijn wereld blijkbaar al groter geworden. Ik was me inmiddels bewust van een droge mond, van starende ogen, van het in mijn eentje een podium oplopen en van die vreselijke buiging die er bij schijnt te horen. Samen met anderen gaat dat wel; gedeelde smart is halve smart. Maar in mijn eentje vond ik er geen lol aan.
Als iemands wereld groter wordt, wordt diegene zich bewust van drie dingen: 1) er is een buitenwereld die, zo denkt hij, een mening over hem heeft (het publiek, een docent); 2) zijn lichaam reageert anders als hij zenuwachtig is en 3) hij wordt zich bewust van zijn eigen emoties en afleidende gedachten over de combinatie van 1 en 2. Bijvoorbeeld: ‘wat zullen ze er wel niet van denken’ in combinatie met ‘ik heb ijskoude vingers’ maakt: ‘het gaat niet!’ Of: ‘mijn leraar zit in de zaal’ in combinatie met ‘mijn ademhaling kruipt omhoog’ maakt: ‘ik vind het verschrikkelijk!’.
Wordt dit minder na de puberteit? Dat hangt vooral af van de vraag of we leren omgaan met podiumspanning. Er zijn genoeg muziekstudenten die ‘op slot gaan’ als ze in de buurt van een podium komen. Een breed scala aan negatieve gedachten, in combinatie met een lichaam dat raar doet, kan voor veel ongemak zorgen.
Waarom reageert ons lichaam eigenlijk zo heftig? Kort gezegd, nog overgehouden uit de oertijd. Toen was spanning bijvoorbeeld: een aanval van een vijandelijke stam. Daarop volgde een fysieke reactie: Freeze, Flight, Fight. Deze FFF-reactie helpt ons om ons te verstoppen, weg te rennen of terug te vechten. Spanning anno nu is echter anders: optreden tijdens een voorspeelmiddag. Of: deadlines, vervelende telefoongesprekken, teveel te doen in te weinig tijd, moeten presteren. Maar, ook al is de aard van de spanning anders, onze fysieke reactie is nog steeds hetzelfde.
Voor een docent is het belangrijk de nieuwe worstelingen van de ouder wordende leerlingen te herkennen. Soms is het genoeg om daar rustig met een leerling over te praten. Zodat de worsteling op bekend terrein wordt uitgevochten. Maar vaak komt een leerling er -ondanks veel voorspelen- niet helemaal uit. En daarover in andere columns meer.
© 2005, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
