Het lukt ons in de muzieklessen niet altijd om kinderen aan ons te binden. Veel instellingen en docenten kampen met 25 tot 30 % afhakers na een jaar les. Deze cijfers bestaan al jaren. Maar in de glorietijden deden ze er niet toe, er was toch altijd een wachtlijst. Nu zijn de wachtlijsten weg, geld speelt een rol en muziekonderwijs is extra kwetsbaar.
Waarom raken we leerlingen kwijt? Waarom lukt het ons niet de harten van deze kinderen te raken? De kinderen willen wel muziek maken, maar ze vinden het blijkbaar toch niet leuk genoeg. En dus proberen we onze lessen leuker te maken.
Maar welke betekenis geven we aan het woord ‘leuker’?
Makkelijker? Weg met de toonladders en etudes? Alles met meespeel-cd? Alle docenten aardiger? Nooit meer streng zijn? Veel meer popliedjes? Meer laten samenspelen? Spelletjes doen in de lessen? Diverse factoren maken muziek leuk en de afgelopen jaren zijn er in mijn columns vele langsgekomen. Samenzijn en samenspelen is leuk. Leren is leuk. Je optrekken aan een rolmodel is leuk. Mooi repertoire spelen is leuk. Ervaren dat je vooruit gaat is leuk. Geluid uit een instrument halen is leuk. Muziek interpreteren is leuk. En: iets nog net niet kunnen maar wel bijna is leuk. Een hobbel overwinnen is leuk; moeilijk kan immers ook leuk zijn.
Een sleutelwoord van leuk is: ervaren. Vaak ervaren kinderen te weinig van en door de muziek. En ook al vinden leerlingen onze lessen echt wel leuk, het gaat alsnog mis bij het thuis oefenen. Voor kinderen is in de achtertuin tennissen of voetballen zoveel makkelijker en leuker dan het oefenen voor de muziekles. Waarom?
Een antwoord op deze vraag biedt de neurowetenschap. Stel, een kind oefent een toonladder op de piano. Zijn brein kiest nu voor de kortst mogelijke neurale route. Want kort betekent snelheid en snel leren is evolutionair nodig om te overleven. Het kind zal alleen focussen op het klavier (kijken 🡪 vingers en toetsen) en op de vraag of iets ‘goed’ of ‘fout’ is. Als de leerling de vaardigheid onder de knie heeft is zijn brein klaar en stopt het ervaren. Het werk is gedaan, aandacht is niet meer nodig, het licht in zijn brein kan bij wijze van spreken uit. Bij de meeste leerlingen zal het bespelen van een instrument zich tot de motorische delen van het brein beperken. Sommige leerlingen koppelen uit zichzelf het spelen aan een bredere muzische ervaring maar de meesten doen dit niet. En dus spelen onze leerlingen fluit of piano zonder dat hun brein mee musiceert.
Voor het leren musiceren is deze kortste route ongewenst. De kortste route is niet muzisch en ook niet de leukste route voor de leerling. Snel leren zonder zintuiglijke ervaring geeft een grotere kans op frustratie als iets niet lukt en op verveling als het leerproces klaar is. Bij voetbal en tennis bestaat dit snelle leren niet. De bal stuitert steeds net iets anders terug en het brein van de leerling is doorlopend actief. Het licht blijft aan, tot het kind iets anders gaat doen.
Ons motto is dus: geen korte neurale route maar uitbreiding. En dus stimuleren wij het brein van de leerling om meer neurale gebieden te betrekken door meerdere zintuigen te prikkelen. ‘Zing in je hoofd mee met de toonladder, kijk of je de beginnoot overal op het klavier kunt terugvinden, speel alle noten eens met je pink en stamp om de drie noten met je linkervoet’. Luisteren, kijken, lichaamsbewustzijn.
Natuurlijk kunnen we die zintuiglijke ervaring alsnog toevoegen nadat de toonladder is aangeleerd, zoals ik in De meesterbeginner beschreef. Maar dat zou betekenen dat het spelen pas leuk wordt als een leerling iets motorisch beheerst. Met andere woorden: pas als een leerling iets kan spelen mag hij gaan genieten. Tja, hoe ziet zo’n eerste jaar er dan uit?
Er ligt dus een taak voor ons docenten om bij iedere leerling een breed zintuiglijk en emotioneel proces op gang te brengen. Ook tijdens het aanleren van beginnersvaardigheden. Ook tijdens het instuderen. Ook tijdens het oefenen. Het licht aandoen en het licht laten branden.
© 2013, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
