In 1982 scoorde Het Klein Orkest een hit met het liedje Laat mij maar alleen. Opvallend in dit liedje vond ik de volgende frase: ‘En niemand die er zeurt: Wat ben je stil, waar denk je aan?’
Misschien een doodnormale tekst, maar het is illustratief voor onze Nederlandse taal. Een variant is: ‘Waar zit je toch met je gedachten?’ Als iemand stil is, in gedachten verzonken of mijmerend, willen we graag weten wat er zich in zijn of haar hoofd afspeelt. We gebruiken daarvoor de woorden ‘denken’ en ‘gedachten’. Denken en gedachten zijn in onze westerse cultuur belangrijk. Daartegenover noemen we iemand een ‘leeghoofd’ als we hem of haar verdenken van te weinig nuttige hersenspinsels.
Hoe zit dat tijdens het musiceren? Wat gebeurt er dan in ons hoofd? Denken we na of juist niet? Als ik die vraag stel aan leerlingen of studenten kunnen ze daar meestal geen antwoord op geven. Ze weten het niet, nooit op gelet. Wat ze wel weten is dat ze tijdens optredens opeens wel heel erg gaan nadenken en negatieve gedachten krijgen. Deze zogenaamde afleidende gedachten kunnen erg luid en duidelijk aanwezig zijn, amper te negeren. Musici zijn deze afleidende gedachten liever kwijt dan rijk. Het is duidelijk dat deze het spelen belemmeren en het optreden minder plezierig maken.
Na enige observaties blijken veel studenten tijdens het studeren regelmatig elders te zijn. Ze mijmeren over boodschappenlijstjes, over wie ze nog moeten bellen of ze kijken uit het raam.
Er is een duidelijke relatie tussen studeren met het hoofd elders en op het podium last hebben van afleidende gedachten. Het is alsof de kabbelende, onopvallende mijmergedachten tijdens het studeren, familie zijn van de negatieve afleidende gedachten op het podium. Blijkbaar creëren we in ons hoofd ruimte voor gebabbel, en dat gebabbel wordt harder en onaangenamer naarmate de situatie spannender wordt. Thuis is het onschuldig (oh ja, ik moet die ene pagina nog kopiëren), in de les krijgt het al een antraciet randje (hè, ik had deze passage veel beter moeten studeren), tijdens de voorspeelavond worden de gedachten grimmiger (oh nee, wat heb ik een lelijk geluid, ze vinden me vast heel slecht) tot tijdens een examen of concours de Dementors uit Harry Potter ons overvallen en ons dreigen op te slurpen (ik kan het niet, help, ik weet het niet meer…)
Wat te doen? Mijn advies zou niet zijn om ‘nuttige gedachten’ te hebben tijdens het studeren, maar te leren het hoofd te vullen zonder gedachten maar met aandacht. ‘Zijn’ in plaats van ‘denken’. We zijn aandachtig als we onze zintuigen en verbeeldingskracht gebruiken. Bijvoorbeeld: ons lichaam voelen (voeten, stevig gronden, armen ontspannen, schouders en nek los, laag ademhalen), luisteren naar ‘binnen’ en buiten (innerlijk meezingen, luisteren naar medespelers), kijken naar buiten en ‘binnen’ (vooruit lezen, communiceren met medespelers, innerlijke beelden creëren) en het uitvergroten van de emoties en de verhalen uit de muziek. Wellicht komen daar enkele steekwoorden aan te pas, maar de kans is veel groter dat deze hersenvulsels voor het grootste deel woordeloos zijn.
Mogen we dan niet meer nadenken tijdens het spelen? Natuurlijk wel, tijdens het studeren is nadenken belangrijk. Maar het werkt nog beter als we het nadenken over ons spel en het vullen van ons hoofd afwisselen. Ik leer mijn studenten om regelmatig hun instrument naar beneden te doen, even na te denken, zich voor te bereiden, vervolgens een speelpositie in te nemen en dan pas te spelen. Deze voorbereiding mag best eventjes duren. Want het brengt ons waar we willen zijn: in de muziek.
© 2009, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
