Een geliefd onderdeel van een concert met symfonieorkest is het soloconcert. De orkestleden zitten klaar, daar komt de pianist, de violist of de cellist, de dirigent heft zijn baton en de muziek begint. Klanken vullen de ruimte, de solist vervult zijn glansrol en zo’n 20 minuten lang is het genieten geblazen.
De drie genoemde instrumenten spelen vaak de hoofdrol en daar zijn meerdere redenen voor. Bijvoorbeeld dat deze instrumenten al eeuwenlang op hoog niveau worden bespeeld, met als resultaat een geweldig repertoire. Bovendien zijn ze volumineus genoeg om tegen een orkest op te kunnen boksen. En: het zijn instrumenten waarbij het relatief makkelijk is om uit het hoofd te spelen.
Om uit het hoofd te kunnen spelen moet er eerst iets in het geheugen worden opgeslagen. Veel musici ervaren dat ze daarvoor voornamelijk hun motorische geheugen, oftewel spiergeheugen gebruiken. Pianisten en strijkers weten hoe sterk dit motorische geheugen is. Ze hoeven maar een paar noten uit hun geheugen op te graven en het spiergeheugen neemt het over. De muziek zit als het ware ‘in hun vingers’. Het motorisch geheugen is gebaat bij grote gebaren. Hout- en koperblazers missen die grote fysieke bewegingen en daarom speelt dit geheugen voor hen nauwelijks een rol. En vandaar dat er door klassiek opgeleide blazers zo weinig uit het hoofd gespeeld wordt: vaak weten ze niet hoe ze dat zonder spiergeheugen voor elkaar moeten krijgen.
Spelen vanuit het motorische geheugen is handig, maar ook ‘gevaarlijk’. Het spiergeheugen functioneert graag ‘in z’n uppie’ en is procedureel: het speelt zichzelf als het ware af waarbij het vrijwel onmogelijk is om in te grijpen of bij te sturen. Er zijn genoeg verhalen bekend over pianisten die tijdens het spelen ‘zomaar’ in de slotmaten van een stuk terecht kwamen. Red je daar maar eens uit!
Het is daarom voor alle musici handig om niet op één geheugen te vertrouwen, maar de muziek innerlijk op te slaan als een zo rijk mogelijke ‘mentale representatie’: een visueel overzicht van de partituur, een klankvoorstelling van de noten én van de interpretatie van het werk (inclusief het muzikale verhaal en alle emoties) plus een fysiek voelen van de puls en beweging van de muziek. Daarbij helpt het om een overzicht van de structuur te ontwikkelen: de grote vorm van het stuk, de uitzonderingen, de begintonen en alle andere ‘sleutelmomenten’ die helpen bij het onthouden. Vervolgens moeten we trainen om deze innerlijke mentale representatie ook werkelijk te gebruiken tijdens het performen en niet terug te vallen op een automatische motorische piloot. We hebben het dan over performersfocus, zie ook eerdere columns hierover.
Vrijwel alle niet-klassieke musici spelen vrijwel altijd uit hun hoofd. Ze maken daarbij, naast hun spiergeheugen, gebruik van een actieve klankvoorstelling, een diep in het lichaam gevoelde puls en ze spelen heel veel samen, waardoor ze een emotioneel sociale interactie met andere musici ervaren en meegesleept worden door de muziek.
Kunnen wij, klassieke musici, dit ook trainen? Natuurlijk, met of zonder bladmuziek! Ik zou beginnen met relatief makkelijk repertoire. We kunnen mentale representaties opbouwen door alle noten van een stuk voor ons te zien, met handbewegingen de toonhoogte te ervaren, heel bewust naar de klanken te luisteren, mee te zingen en ‘vooruit’ te zingen, de puls en de richting van de muziek in ons hele lichaam te voelen en de structuur van het stuk uit te pluizen. Door ‘luchtinstrument’ te spelen, maken we het geheel af. Het helpt ook om liedjes op ons gehoor te spelen en deze te transponeren naar andere toonsoorten. Werken aan het ‘vullen’ van ons geheugen, en dit vervolgens weer eruit te halen, met als doel een expressieve, bevlogen en doorleefde uitvoering. Uit het hoofd, uit het hart.
© 2004, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
