Van jong tot oud

Je hebt leerlingen en leerlingen. Dé leerling bestaat niet. Dé ideale leerling niet en dé vervelende leerling ook niet. Leerlingen kunnen we niet in hokjes stoppen maar dat doen we natuurlijk doorlopend. We leren het bij methodiek, bij de lessen pedagogiek en didactiek op het conservatorium. De praktijk blijkt weer anders; meer divers, interessanter en ingewikkelder. Nu ga ik het ook doen. In hokjes stoppen. 

Als ik met collegae over lesgeven praat, lijkt het soms of we wel dezelfde woorden gebruiken maar een andere taal spreken. Wat ik moeilijk vind, wordt door een andere docent niet herkend en wat die ander vertelt, lijk ik maar niet mee te maken. En dat blijkt niets te maken te hebben met verschil in talent bij de leerlingen, maar, daar komt het: met hun leeftijd.

Wat is nou het grootste verschil tussen jonge kinderen en volwassenen? In mijn optiek is dat: de grootte van de wereld. Hoe jonger een kind, hoe kleiner zijn wereld. Een prille baby kent alleen de kubieke meter om hem heen; de geur van zijn ouders versus die van onbekenden. Het prettige gevoel van drinken en slapen, het nare gevoel van honger en buikkrampjes. Hij groeit op; beetje bij beetje ontwikkelt zijn brein en er komt steeds meer bagage op de planken van zijn hersenen te liggen. De buitenwereld zal steeds dichterbij komen, tot en met het acht uur journaal en giro 555. Onder invloed van die buitenwereld ontwikkelt hij een gevoelsleven en een associatievermogen. Alles krijgt betekenis en dat is voor iedereen weer anders. 

Een voorbeeld: waarom kiest een leerling voor een bepaald instrument? Een jong kind heeft er nog nauwelijks associaties mee. Misschien heeft hij de dwarsfluit of de trompet of de piano gezien en gehoord tijdens kennismakingslessen. Als dat zo is, is zijn keuze beïnvloed door de klank, maar ook door het feit dat het muziekinstrument er zo prachtig uitzag. Als de leerling er meteen een liedje op kon spelen, was dat stimulerend. Als de docent aardig was, was dat prettig. En als de les leuk gegeven werd, was dat inspirerend. Maar de leerling heeft nog geen flauw idee van wat hij zelf met dat instrument zou kunnen, laat staan hoe er in de rest van de wereld op gemusiceerd wordt. Eigenlijk is dat makkelijk; hij heeft geen last van een ideaal klankbeeld of van hoge verwachtingen en daardoor zal hij het reuze naar zijn zin hebben. Er is echter geen enkele garantie dat hij over twee jaar de muzieklessen nog net zo leuk vindt. Als een beginnende leerling ouder is, geldt het tegenovergestelde. De leerling kent de klank van het gekozen instrument; via concerten, cd’s of andere spelers en weet dus donders goed hoe het zou kunnen klinken. Zijn klankbeeld bestaat al; zijn wereld is groot of nog groter. Het is moeilijk beginner te zijn in een volwassen wereld.

Docenten spreken graag over drie groepen: kinderen (basisonderwijs), pubers en volwassenen. Een jong kind is speels en onbevangen, want zijn wereld is nog klein. Hij oefent voor de volgende les en voor de docent. Een puber begint zich bewust te worden van zijn gevoelsleven, van de invloed van eerdere ervaringen en herinneringen. Alles wat hij of zij doet wordt langs een zelfgemaakte meetlat gelegd. Een lastige periode, waarin ze óf stoppen met oefenen, óf de muziek juist als houvast gebruiken. Een volwassene kan ver vooruit kijken, heeft een grote motivatie, is zich over het algemeen sterk bewust van zijn gevoelsleven en kan dit hopelijk weer relativeren. Drie grote hokken, die elk een andere aanpak vragen. En daarover een andere keer meer.

© 2004, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut

Winkelwagen
Scroll naar boven

Ontdek meer van Wieke Karsten

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder