Een collega gaf mij de titel voor deze column: Meetbaar of Merkbaar. Hij is naast pedagoog ook filosoof en speelt derhalve de prachtige en broodnodige rol van ‘luis in de pels’. Ik schreef al dat conservatoria tegenwoordig zo transparant mogelijk mogen zijn over hoe en wat ze beoordelen. Maar juist door dit op papier te zetten rijst de vraag: is dit dan alles wat we willen bereiken met onze leerlingen en studenten? Gaat het alleen over deze – meetbare – resultaten?
Als we aan docenten in het werkveld en op conservatoria vragen wat ze het allerbelangrijkste vinden in hun lesgeven, dan is het antwoord vrijwel altijd iets als: ‘ervoor zorgen dat een student of leerling goed in zijn of haar vel zit en zich persoonlijk kan ontwikkelen’. Lesgeven gaat dus niet alleen over viool of piano of klarinet leren spelen maar ook over identiteitsvorming. Musiceren is, naast een doel op zich, een middel om ‘te worden wie je wilt zijn en te zijn wie je bent’. Wij docenten zijn bevoorrecht dat we leerlingen gedurende een aantal jaren mogen zien groeien.
Maar… in alle meetlatten die ik heb langs zien komen, heb ik dit aspect nog nooit beschreven gezien. Is dat erg? Ik vind van wel, al was het maar omdat deze niet-meetbare maar wel merkbare aspecten van iemands ontwikkeling een spanningsveld kunnen opleveren tijdens beoordelingsmomenten. Een oplossing kan zijn om de ‘ipsatieve ontwikkeling’, iemands persoonlijke groei ten opzichte van een tijd geleden, mee te waarderen in de beoordeling. Maar binnen curricula die gebaseerd zijn op normen en criteria, is dit heel ongebruikelijk. Sterker nog: veel conservatoria kiezen ervoor om de eigen docent niet bij examens aanwezig te laten zijn, juist om die subjectieve waardering te voorkomen…
Iedere ervaren muziekdocent weet dat er een spanningsveld bestaat tussen beschreven leerdoelen en de dagelijkse praktijk. Geert Kelchtermans* heeft hier een prachtig artikel over geschreven en noemt dit de ‘kwetsbaarheid’ van de docent. Volgens hem maken docenten continu keuzes, gebaseerd op hun eigen ervaringen en persoonlijkheid, en vraagt het lesgeven om een continue reflectie op deze keuzes. Denk aan de planning van onze lessen, het materiaal dat we kiezen, hoe we communiceren met onze leerlingen, hoe we ruimte geven voor hun eigenheid, hoe we hen motiveren en uitdagen, hoe we omgaan met deadlines, concoursen en examens, hoe we hun leven verrijken met (extra) activiteiten. En hoezeer we ons ook ondersteund kunnen voelen door pedagogische en didactische bronnen, iedere leerling is anders en vraagt om een andere aanpak. Een spanningsveld, waarin de docent zich verhoudt tot het instituut waar hij of zij lesgeeft, tot zijn eigen overtuigingen, tot collegae en tot leerlingen en studenten.
Wat Kelchtermans betreft gaat dat spanningsveld nog verder: als het dan goed of niet zo goed gaat met een leerling, wat is dan onze rol daarin geweest? Waar ligt onze verantwoordelijkheid? Stel dat een leerling de sterren van de hemel speelt, hebben wij dat dan voor elkaar gekregen? En wat als een leerling dichtklapt tijdens een uitvoering, is dat dan onze schuld? Hoe zit dat als een leerling meer zelfvertrouwen heeft gekregen? Of als z’n ogen meer zijn gaan glinsteren? Ik vind al deze spanningsvelden akelig herkenbaar en hoop daar de komende maanden dieper in te duiken.
*De leraar als (on)eigentijdse professional: Reflecties over de “moderne professionaliteit” van leerkrachten. 2012.
© 2022, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
