Feedback 2 | Bouwprojecten

De vorige column ging over terugkoppeling, oftewel: feedback. Het moment waarop wij, als een leerling klaar is met spelen, reageren op zijn of haar spel. Vanuit didactisch oogpunt is het begrip feedback een verzamelnaam voor drie ‘momenten’: feed-back: de leerling te helpen ervaren waar hij nu is, feed-up: de leerling te helpen ervaren waar hij naar toe zou kunnen en feed-forward: de leerling te helpen ervaren wat het volgende stapje is. Ik vind het onderscheid heel prettig. 

Laten we nog wat dieper ingaan op feed-back. Feedback kunnen we geven vanuit twee perspectieven. Het eerste laat ons kijken naar wat de leerling aan het leren is, de taak. Het tweede, bredere perspectief, doet ons naar het leerproces van de leerling kijken. De taak wordt dan onderdeel van een groter geheel, namelijk de totale ontwikkeling die onze leerling doormaakt. Geven we feedback vanuit de taak – resultaatgericht –  dan creëren we een momentopname en zijn er eigenlijk maar twee opties. Het is goed, of het is (nog) niet goed. Kijken we naar het grote geheel – procesgericht – dan kijken we niet alleen naar het moment zelf, maar ook terug: ‘Wauw, wat een verschil met vorige week!’ 

In de praktijk blijkt dat we vooral resultaatgerichte feedback geven en dat we dat doen als we iets missen in iemands spel (negatieve feedback) òf als iemand de sterren van de hemel speelt (positieve feedback). Maar alle kleine tussenstapjes, onderdeel van dat geduldige leerproces, worden meestal niet benoemd. Onbewust zijn we zo gefocust op wat er nog moet gebeuren, dat we iemands wekelijkse vooruitgang niet altijd waarnemen. Veel docenten vinden het bovendien belangrijk dat een leerling steeds iets nieuws leert en als het ware ‘waar voor zijn geld krijgt’. Stilstaan bij wat al geleerd is, voelt dan misschien als het verspillen van kostbare lestijd. 

Maar dit is een denkfout. Als we vooral terugkoppelen wat nog niet goed gaat, wordt feedback door leerlingen als iets negatiefs ervaren. Door onder woorden te brengen wat een leerling wél voor elkaar heeft gekregen, erkennen we de moeite die een leerling ergens in heeft gestopt. Uit onderzoek blijkt dat het reflecteren op iemands vooruitgang – ‘Kijk, drie maanden geleden kon je dat nog niet, en nu wel, goed gedaan!’ – iemand bekrachtigd in zijn of haar self-efficacy. Deze term komt van de Canadees-Amerikaanse onderzoeker Albert Bandura en hij beschrijft het ongeveer als volgt: ‘Het vertrouwen dat mensen hebben in hun eigen vermogen om specifiek gedrag in verschillende omstandigheden uit te voeren’. Weten van jezelf dat je iets kúnt leren, geeft een gevoel van zelfvertrouwen. En dat heeft weer een positief effect op iemands motivatie en dus op zijn leervermogen. 

Procesgerichte feedback biedt bovendien een ander perspectief op negatieve feedback. Het tegenovergestelde van negatieve feedback (dat doe je niet goed) is dan niet om positieve feedback te geven, maar om constructieve of opbouwende feedback te geven. Constructieve feedback betekent dat we de leerling laten ervaren wat wel of niet lukt, zonder dat we dat zien als goed of fout. Zijn of haar neurale breinbedrading is klaar, of heeft nog extra informatie of meer oefening nodig. Vanuit constructieve feedback zal de leerling zich ook niet aangevallen voelen, maar begrijpen dat ie er simpelweg nog niet is. Vaak blijkt dan dat een leerling het verschil nog niet snapt, hoort of ervaart tussen wat hij nu doet en waar hij naar toe kan. Om met Johan Cruijf te spreken: ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’.  Onze rol is dan om onze leerlingen te helpen bij het zien, het luisteren en het ervaren, zodat ze weten met welk bouwwerk ze bezig zijn. Feedup en feedforward. En daarover in een andere column meer…  

© 2021, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut

Winkelwagen
Scroll naar boven

Ontdek meer van Wieke Karsten

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder