Juryperikelen

Ik ben dol op concoursen. Dat wil zeggen, ik vind het ontzettend leuk om in de jury van een concours te zitten. Heerlijk om een weekend lang naar tig deelnemers – kinderen of (jong)volwassenen – te luisteren die naar hartenlust musiceren. Ook op het conservatorium zit ik veel in jury’s. Dat is niet helemaal hetzelfde; het gaat dan immers om muziek als broodwinning. Maar of het jureren nou kinderen of volwassen amateurs betreft, studenten of afgestudeerden, er is een overeenkomst: we meten een momentopname. 

Zo’n momentopname is de kracht van een concours of auditie, maar ook een valkuil voor een jury. We gaan er namelijk onbewust vanuit dat we óók de ontwikkeling van de spelende musicus in ogenschouw nemen. We gaan uit van een logische relatie tussen de inspanning vooraf en het spel op het podium. De vraag is of dat reëel is. We onderschatten vaak de impact van podiumspanning en andere mentale factoren die iemands spel negatief kunnen beïnvloeden. Bij een eindexamen conservatorium of een orkestauditie zou een speler in staat moeten zijn om onder (grote) druk te presteren. Bij de meeste andere concoursen mogen we als jury begripvoller zijn, omdat we lang niet altijd kunnen inschatten wat het eigenlijke niveau van een speler is. 

Als we een kandidaat een aantal jaren volgen, lijkt het jureren makkelijker. We kunnen dan (als we het ons tenminste nog herinneren) een vergelijking maken met een jaar daarvoor. Over het algemeen is ons oordeel daardoor genuanceerder dan bij een eenmalige ontmoeting. Maar ook weer niet altijd; soms zijn onze verwachtingen te hoog gespannen en vinden we de vooruitgang tegenvallen. Hadden we een kandidaat op dat moment voor het eerst gehoord, dan waren we vermoedelijk positiever geweest. 

Ook is het niet altijd makkelijk om te benoemen wat we van iemands spel vinden. Goede dingen beschouwen we soms als vanzelfsprekend terwijl daar een enorm leerproces aan vooraf zal zijn gegaan. Het is eenvoudiger te benoemen wat ons niet bevalt, dan wat ons wel bevalt. 

Maar het tegendeel is ook waar. De meeste concoursen in Nederland zijn georganiseerd voor kinderen van alle niveaus en niet slechts voor leerlingen uit een jongtalenttraject. Want: een concours biedt een podium aan alle leerlingen om naar toe te werken en is bovendien leuk en leerzaam. Zie ook mijn vorige column hierover. Maar vinden we dat als jury ook werkelijk? Ik betrap ons wel eens op het tegendeel. Dat we een leerling die beter speelt dan gemiddeld ‘leuker’ vinden dan een leerling die beneden gemiddeld presteert. Dat we een speler die opvallend goed speelt positiever benaderen in ons jurygesprek of juryverslag. En dat we innerlijk zuchten als we een beginner horen spelen.

Hoe reageren we op een speler die onvoldoende lijkt voorbereid? Op een speler die ontzettend vals speelt? Of knetterhard op de vleugel zit te rammen? Of zo zacht speelt dat-ie nauwelijks te horen is? Of het stadium van noten lezen nog niet gepasseerd lijkt te zijn? Of zo heftig beweegt dat het akelig is om naar te kijken? Of zich totaal afsluit voor de begeleidende pianist? Of… verzin het maar, want voorbeelden als deze vinden plaats binnen elk niveau, elke leeftijdscategorie, altijd en overal. 

De grootste uitdaging voor een jury is om zich niet blind te staren op die geweldige of juist niet-geweldige instrumentalist of op die geweldige of juist niet-geweldige musicus. Maar de speler te blijven zien als musicerend mens. Want alleen dan kunnen we van mens tot mens praten over wat er gebeurde op het podium. 

© 2015, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut

Winkelwagen
Scroll naar boven

Ontdek meer van Wieke Karsten

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder