Er is dat ene zinnetje dat, als het uit onze eigen mond ontsnapt, voelt als een flauwe smoes. En als onze leerlingen het zeggen, moeten we innerlijk lachen. ‘Ja maar, thuis ging het beter.’
Zelfs tijdens online lessen – die meestal vanuit huis genoten worden – komt het zinnetje regelmatig langs. Meestal denken wij docenten dan: ‘Ja, ja, dat zal wel!’ Maar soms vermoeden we dat er een kern van waarheid in zit. Dat het thuis, oftewel, tijdens het thuis oefenen, beter ging. Wat ‘beter’ dan ook maar moge betekenen.
Een collega die deze frase bij een bepaalde leerling wel erg vaak moest aanhoren, daagde hem uit zijn spel thuis op te nemen. Toen mijn collega de video bekeek, was het voor hem zonneklaar: thuis ging het helemaal niet beter! Er zou hier sprake kunnen zijn van fenomeen A: thuis is de leerling minder kritisch. Hij speelt thuis lekkerder omdat hij nergens last van heeft. In de leskamer gaat een leerling zichzelf plotsklaps observeren met de ogen en oren van de docent en wordt zich bewust van wat er allemaal beter kan.
Ik kan me niet herinneren wat de leerling zelf van de video vond. Misschien viel zijn spel nu in de categorie: ‘zonder video ging het beter’. In dat geval zou sprake kunnen zijn van fenomeen B: tijdens het filmen (of in de les) wil de leerling laten horen wat hij kan en dat levert een dosis spanning op die kan maken dat de leerling minder goed speelt.
Maar waarom gaat de leerling dan minder goed spelen? Dat kan het gevolg zijn van fenomeen C: de leerling heeft minder geautomatiseerd dan hij denkt. Als de situatie ideaal is (vertrouwde omgeving, geen druk van buiten) kan iedereen op een hoger niveau spelen. De spanning van het ‘moeten presteren’ toont echter het ‘ware’ niveau: de noten zitten er toch nog niet helemaal in of de ademhalingen zijn toch nog niet helemaal uitgezocht en dat zit de speler nu in de weg.
Het kan ook een kwestie zijn van fenomeen D: de leerling speelt thuis beter omdat hij, zonder dat hij zich daarvan bewust is, een ‘performersfocus’ kiest. Hij speelt bijvoorbeeld ‘gewoon lekker’ of geniet van de muziek. Als we dit type focus niet weloverwogen kiezen, is deze nogal kwetsbaar. De kans is groot dat onze leerlingen tijdens de les opeens gaan letten op ‘geen fouten mogen maken’, op hun vingers of embouchure. Ik noem dat: ‘drang tot controle’. Hoe begrijpelijk ook, hun niveau zal erdoor dalen.
Er kan ook sprake zijn van fenomeen E: de leerling speelt thuis lekker, maar zonder focus. Hij speelt, maar zijn aandacht is elders, bijvoorbeeld bij wat hij nog voor huiswerk moet maken of wat hij dit weekend voor leuks zal gaan doen. Deze tamelijk onschuldige afleiding zal hoogstwaarschijnlijk veranderen in negatieve gedachten als hij onder druk komt te staan. En dan krijgt de leerling in de les last van een hoop gebabbel in zijn hoofd, waarin hij commentaar geeft op zijn eigen spel en zich afvraagt wat de docent er wel niet van zal vinden. Vanzelfsprekend heeft dit effect op zijn speelniveau.
En laten we F niet vergeten: de leerling heeft een goede herinnering aan het oefenen thuis, die afwijkt van de ervaring tijdens de les. Maar die goede ervaring was vermoedelijk niet de eerste versie van de thuisspeelsessie, en kwam tot stand na enige tijd doorspelen of oefenen. Dus: thuis ging het beter, maar pas na een tijdje…
A, B, C, D, E en/of F, hier ligt een mooie rol voor ons docenten. Aan de ene kant mogen we onze leerlingen leren om zelfstandig te oefenen, waardoor ze ook thuis op een gezonde manier vriendelijk kritisch naar hun eigen spel kunnen kijken en luisteren. Daarnaast kunnen we ze leren hoe ze zich thuis en in de les beter kunnen focussen. Het kunnen herkennen en vasthouden van aandacht en focus zal het muzikale leerproces versnellen en zal bovendien maken dat ze beter kunnen omgaan met spanning. ‘Thuis ging het beter’ wil alleen maar zeggen: ‘help mij’.
© 2017, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
