Een tijdje terug luisterde ik naar een gesprek tussen twee docenten. Het ging over gewone jonge leerlingen en talentvolle. Beide beaamden: talentvolle leerlingen behandel je anders dan gewone leerlingen. Ambitie wie ambitie toekomt: leerlingen die alleen maar leuk willen spelen kregen anders les. Gewoon leuk les. De talentvolle leerlingen kregen langer les, er werden hogere eisen gesteld en de lessen kregen meer inhoud.
Interessant. Kennen we als docenten dan twee standen? En kennen we dan ook twee tarieven? Is het lesgeld voor gewone leerlingen lager en voor de talentvolle hoger? Of juist andersom: hoger voor de gewone leerlingen (want minder leuk om les te geven) en lager voor de getalenteerde?
Talent. Waarschijnlijk zullen velen van ons denken dat talent bestaat en vooral: vaststaat. Een kind dat vanwege bepaalde kunnen of kunsten boven anderen uitstijgt, beschouwen we als talentvol. Dit idee is hardnekkig maar onderzoekers zijn het eens: misschien bestaan er verschillen in aanleg, maar dat zegt werkelijk niets over hoe iemand zich gaat ontwikkelen. De bekende onderzoeker John Sloboda zegt hierover (1998): Verschillen in vroege ervaringen, voorkeuren, kansen, gewoontes, opleiding en oefening zijn de echte determinanten van expertise.
In het boek Klanksporen* staat nog een mooie quote van Sloboda (2005): Kinderen als aangeboren begaafd bestempelen is discriminerend. Het bewijsmateriaal geeft aan dat zulke categorisering unfair en nutteloos is. Zij verhindert (niet-begaafde**) jonge mensen een doel na te streven omdat hun ouders of docenten de onterechte mening toegedaan zijn dat zij niet zouden kunnen profiteren van dezelfde kansen die begaafden krijgen.
Hersenonderzoekers noemen een andere factor van belang: voldoende voeding. Voed een kind van jongs af aan met liefdevolle inspiratie en dan komt het allemaal goed. Of het nou gaat over taal, musiceren, tekenen, sporten, schaken; het maakt niet uit. Als we maar zorgen voor wat Erik Scherder een ‘verrijkte omgeving’ noemt. En kinderen leren niet alleen van wat ouders en docenten ‘erin stoppen’, ze leren vooral van elkaar. Vandaar dat kinderen die opgroeien in een gezin waar muziek wordt gemaakt, een enorme voorsprong hebben op kinderen uit gezinnen waar geen muziek wordt gemaakt. En vandaar dat de jongste kinderen die opgroeien in een gezin waar muziek wordt gemaakt, een nog grotere voorsprong hebben ten opzichte van kinderen die opgroeien in een gezin waar geen muziek wordt gemaakt.
En nog een factor van belang: de leerling moet (mag) met deze inspirerende voeding vele uren zoet zijn. Breinbedrading gaat niet vanzelf maar is het gevolg van ‘tijd, energie en moeite’****. Mentale en praktische ondersteuning van ouders en het motto ‘je begint ergens aan, dus dan maak je het ook af’ bleken uit onderzoek van Benjamin Bloom*** uit 1985 ook een grote rol te spelen. Hij schijnt gezegd te hebben dat ze in hun zoektocht naar talent geen bijzondere kinderen vonden, maar wel bijzondere omstandigheden.
Oké, dus denken vanuit talent is te simplistisch en kent het risico dat andere – minder verrijkte kinderen – buiten de boot vallen. Maar kleven er nog meer nadelen aan? Jazeker, Carol Dweck vond in haar baanbrekende onderzoek naar mindset dat het ‘denken in talent’ bij kinderen een fixed mindset kan bevorderen. Als kinderen van anderen horen dat hun kunde aan hun DNA ligt, dan voelen ze – onbewust – dat ze daar geen invloed op kunnen uitoefenen. En wat nou als blijkt dat er een einde komt aan hun portie talent? Kinderen die denken vanuit aanleg in plaats vanuit ‘tijd, energie en moeite’, blijken het lastiger te vinden om nieuwe uitdagingen uit te gaan en zijn banger om fouten te maken.
Twee standen. Het zegt meer over ons dan over de mogelijkheden van onze leerlingen…
*Klanksporen (2010)
Lieven Strobbe en Hans van Regenmortel
Uitgeverij Garant
** Ik heb het woord on-begaafde toegevoegd om de leesbaarheid te bevorderen… Andere term is misschien beter…
*** Developing talent in young people (1985)
Benjamin Bloom
**** Mindset (2006)
Carol Dweck
© 2013, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
