Toen wij, docenten van nu, aan het conservatorium studeerden, kwamen we er al snel achter dat er twee type docenten waren. Er waren docenten die vooral vanuit het ambacht lesgaven en docenten die de muziek als uitgangspunt namen. Bij de docent voor het ambacht leerde je uitstekend je instrument bespelen maar bleef het spel een beetje braaf, bij de docent voor de muziek leerde je muzikaal en expressief spelen, maar bleef de techniek wat achter. Docenten die voor het ambacht gingen, waren vaak analytisch; ze vonden dat musici ambachtslieden waren. Docenten die voor de muziek gingen, waren vaak intuïtief; zij vonden dat een musicus een kunstenaar was.
Deze tweedeling is oud, een schijnbaar onoverbrugbare kloof tussen kunst en ambacht, een eeuwige discussie over wat het meest belangrijk is. Als je als student in zo’n kamp terechtkwam, streed je vurig mee; de docent was immers goeroe en wij de trouwe volgelingen. Overigens trok je als speler uiteindelijk aan het kortste eind: bij de eindexamens beoordeelden diverse grootmeesters ons spel en alleen als iemand een 9 of hoger kreeg was discussie overbodig…
De student met een 10 (of daar in de buurt) kreeg voor elkaar wat ik in de column Totaalpakket beschreef: zijn examen was een super-eindexamen, een superconcert. Hij of zij presteerde iets bijzonders waarin elk commissielid zich kon vinden.
Als conservatoriumdocent en jurylid bij concoursen hoor en zie ik veel verschillende spelers. Over het algemeen zijn dat geen ‘ambassadeurs van het totaalpakket’. Er zijn leerlingen die virtuoze stukken spelen maar muzisch wat achter blijven en er zijn leerlingen die expressief spelen maar op ambachtelijk gebied duidelijke hiaten hebben. Gelukkig zijn er ook leerlingen die in hun spel een breder spectrum laten horen waarbij ambacht én muzikaliteit én expressie aanwezig zijn, en die met hoorbaar en zichtbaar plezier aan het musiceren zijn. Zijn dat dan gelukstreffers of zit daar een visie achter?
Een totaalpakket vertegenwoordigen kan op iedere leeftijd en op elk niveau. Wij docenten kunnen ervoor zorgen dat onze leerlingen vijf ‘lagen’ van het musiceren doorlopen. Allereerst repertoire: goed gekozen stukken, niet te moeilijk, niet te makkelijk en muziek waardoor de leerling in zijn hart geraakt wordt. Dan interpretatie: de leerling laat de zinnen horen, de structuur van het stuk, een spannende, onderliggende puls, de nodige karakterverschillen binnen een logische op- en afbouw en dit alles in de muziekstijl van de componist. Vervolgens techniek: een gezonde klank, die zich aanpast aan wat de muziek wil vertellen, inclusief kleur- en articulatieverschillen, waarbij de leerling fysiek en mentaal ontspannen en soepel blijft.
De leerling kan het stuk nu mooi spelen, maar we gaan nog door: meesterschap. In deze fase gaan we ervoor zorgen dat de leerling de muziek echt goed beheerst, wellicht uit het hoofd, maar dat hoeft niet per se, en we stimuleren dat de leerling de muziek al vaak voor publiek (teddybeer of echt) vertolkt heeft. Hij ervaart dan wat het is om die prachtige muziek voor iemand anders te spelen, aan iemand anders cadeau te doen. En als laatste expressie: de leerling mag het ingestudeerde ietwat ‘los’ laten, het muzikale verhaal vertellen, emoties uitvergroten en acteren met zijn spel!
Als we een leerling ‘totaal’ willen opleiden, kiezen we voor een brede route. De leerling kan dan de muziek interessant vertolken, speelt gezond op zijn instrument én snapt het verschil tussen ‘instuderen’ en ‘uitstuderen’: het geven van een concertje.
Om terug te komen op de strijd tussen ambacht en kunst: die heeft net zo weinig bestaansrecht als een wedstrijd tussen appels en peren. En daar waar woorden de strijdende partijen niet altijd overtuigen, kan samen musiceren en op z’n tijd een koffietje drinken het begrip voor elkaar vergroten.
© 2006, 2023 Wieke Karsten
© 2023 Dik Klut
